[logo]
[line]
Home | VGV | Projecten | Nieuwsbrief | Donaties | Anneke's Stekje | Archief | Gastenboek | Privacy | Contact
[line]
Vorige: Meskerem Volgende: Straatbeeld

Anneke's Stekje

Gambela

Vanuit de lucht wordt de landingsbaan van Gambela zichtbaar, een bruine streep, temidden van eindeloos lijkende bossen. Het uitzicht vanuit het kleine propellorvliegtuigje is het laatste uur van de vlucht adembenemend. Dichtbeboste bergen, een zee van bomen, af en toe onderbroken door een kolkende rivier.

Niet zo lang geleden was dit nog oerwoud, maar van bovenaf gezien lijkt het toch wel of de natuur hier nog haar eigen baas is. Na een zachte landing moet het vliegtuigje keihard remmen om voor het einde van de landingsbaan stil te staan en als de deur openzwaait, weten we onmiddelijk dat we hier flink zuidelijk zitten. De vochtige hitte valt als een natte deken over ons heen en de hete wind schroeit je huid. De landingsstrip ligt 18 kilometer van het stadje en er is een opvallende afwezigheid van taxi s. Wel staan er een paar auto's van hulporganisaties, zoals de UN, geparkeerd. De vluchtelingenkampen van bedreigde Soedanezen zijn vlakbij. We rijden mee over zanderige wegen, omzoomd met hoog leeuwengras. Het is een verstilde omgeving, met veel vogelgeluiden.

Gambela, bijna 800 kilometer zuidwest van Addis Ababa, is relaxed. De hitte bepaalt het tempo en het lijkt wel of de hoge temperatuur de bevolking stil en in zichzelf gekeerd heeft gemaakt. De mensen zijn lang en hebben een glanzende, diepzwarte huidskleur. Ze hebben een statige manier van lopen en een observerende blik.

Men loopt, fietst of heeft een kruiwagen. Kruiwagens worden overal voor gebruikt: om je handelswaar mee te vervoeren, om een dutje in te doen, om in te zitten bij je handeltje op straat, om mensen en dieren in mee te nemen. Multifunktioneel en zeer efficient.

Ook multifunktioneel is de brede Barorivier, die als een levensader dwars door het stadje stroomt. Er wordt in gewassen, gezwommen en in gevist. Vrouwen slepen hun manden, die van takken zijn gemaakt, als een zeef door het water en vangen kleine zilverachtige visjes. Grote vis moet met een hengel buitgemaakt worden.

We voelen ons in dit stadje bijna indringers in een stilleven, maar als we op de markt komen is daar weer het vertrouwde roepen, aandacht trekken en grappen maken. Opvallend is dat er geen bedelaars en daklozen zijn en dat is voor Ethiopië heel uitzonderlijk.

Debebe werkt in het Gambela National Park, dat bestaat uit een omheinde verwilderde tuin, met twee rondscharrelende struisvogels en een leeg kantoortje, waar huiden van Colobusaapjes aan de muur hangen en een verzameling stencils over de nationale parken van Ethiopië op tafel ligt. De funktie van dit bureau wordt ons niet geheel duidelijk, maar Debebe weet ons wel te vertellen dat we het echte, grote National Park, waar talloze diersoorten voorkomen, zonder eigen vervoer niet kunnen bereiken.

Hij neemt ons mee naar mister Boka, die speciaal aangesteld is voor toerisme. Op het lege bureau van Boka prijkt een grote fietsbel, we kunnen hem desgewenst "opbellen". Na enig overleg besluiten we naar Itang te gaan, een dorpje 60 kilometer verderop, om daar kennis te maken met twee bijzondere bevolkingsgroepen, de Anuak en de Nuer.

Debebe gaat het vervoer regelen; om snel heen en weer te zijn huurt hij een fiets en een uur later heeft hij het rond. Nog even gauw de benodigde formulieren voor de controles onderweg bij Boka ophalen en dan kunnen we gaan. Maar Boka beslist anders: het is 12 uur, lunchpauze en al is het tekenen van de papieren twee minuten werk, het is nu geen "working-time"! Over drie uur kunnen we terugkomen. Aangesteld om het toerisme te promoten, is Boka bovenal een stipte man.

Uren later rijden we met flinke vaart over een stoffige weg en door een prachtig landschap naar Itang. Ook Debebe is mee en ontpopt zich als een ware gids. Hij is blij dat hij ons toch een bijzondere ervaring kan geven. De natuur is ongerept, groepen bavianen steken de weg over en verdwijnen in het metershoge gras.

In Itang heeft de tijd stilgestaan. De mensen zijn hier nog een met de natuur. De Anuak en de Nuer, die leven als vissers en veehouders, leven vredig naast elkaar en zijn uiterst vriendelijk. We leren gauw in beide talen het begroetingsritueel en worden aan de hand meegenomen om alles te bezichtigen: hun mooie rieten hutten, keurig aangeveegde erfjes, bewerkte kalebassen, de waterpijpen en de gedroogde vis. Het hele dorp loopt uit om ons te bekijken, onze huid en ons haar aan te raken. Sommige baby's raken overstuur bij het zien van zoveel wit!

Beide stammen brengen tatouages aan, de Nuer dunne lijnen op hun voorhoofd en de Anuak versieren hun gezicht met stippen. Samuel, die in Itang als gids/vertaler optreedt, vertelt trots dat bij de Anuak op jeugdige leeftijd zes ondertanden worden getrokken. Dit zou tetanus voorkomen, maar het geldt ook als stamteken. Met tanden word je niet geaccepteerd en zul je nooit een partner vinden.

Als we na een warm afscheid terugrijden naar Gambela is Debebe zeer tevreden. Niet alleen heeft hij zelf ook zichtbaar genoten van dit uitstapje, maar bovenal heeft hij ons een bijzondere ervaring bezorgd !

Addis Abeba, 30 september 2000

 
[line]
Copyright © 2000-2008 Stichting Meskerem